De ramp
In 2002 dreigde in grote delen van zuidelijk Afrika een ernstige voedselcrisis. Twee opeenvolgende jaren van tegenvallende oogsten hadden de voedselvoorraden sterk aangetast. Ook armoede, economische problemen, de hiv/aids-epidemie en bestuurlijke problemen maakten veel huishoudens extra kwetsbaar.
Vooral Zimbabwe, Malawi, Zambia, Mozambique, Lesotho en Swaziland werden zwaar getroffen. In de zomer van 2002 schatten de Verenigde Naties dat ongeveer 12,8 miljoen mensen in deze zes landen voedselhulp nodig zouden hebben. Later dat jaar liep die schatting op tot ongeveer 14,4 miljoen. Het Wereldvoedselprogramma sprak van de grootste humanitaire crisis in de regio in tien jaar tijd.
De actie
De hulporganisaties achter Giro555 begonnen in september 2002 een gezamenlijke inzameling voor de voedselcrisis in zuidelijk Afrika. Hulporganisaties waren toen al ter plekke en boden onder meer voedselhulp. Het bijzondere aan deze crisis was dat dankzij de waarschuwingssystemen al duidelijk werd hoe ernstig de situatie kon worden vóórdat op grote schaal mensen stierven van de honger.
Op 13 december werd de campagne uitgebreid. Ook uit Ethiopië en Eritrea kwamen steeds alarmerender berichten over droogte en voedseltekorten. Vanaf dat moment werd onder het motto ‘Help hongerend Afrika nu’ geld ingezameld voor zowel zuidelijk Afrika als de Hoorn van Afrika. Radio- en televisiezenders zonden spotjes uit en kranten en tijdschriften plaatsten advertenties om aandacht te vragen voor de actie van Giro555.
Het bleek lastig om de dreigende ramp onder de aandacht van een groot publiek te brengen. In tegenstelling tot eerdere hongersnoden waren er nog nauwelijks beelden van de crisis. Juist omdat hulporganisaties eerder in actie kwamen, ontbraken de beelden die eerdere hulpacties veel media-aandacht hadden gegeven. Een geplande grote televisieactie kwam daarom aanvankelijk niet van de grond. De beperkte aandacht in de media voor de voedselcrisis leidde tot discussie tussen de hulporganisaties en de publieke omroepen, maar ook binnen de omroepen zelf, over de vraag waarom de dreigende hongersnood zo weinig aandacht kreeg.
In maart 2003 volgde alsnog een gezamenlijke actieweek van de publieke omroepen. Van 3 tot en met 10 maart besteedden radio- en televisieprogramma’s uitgebreid aandacht aan de voedselcrisis en aan het werk van de hulporganisaties met spots en reportages. Die week bracht ongeveer € 1,5 miljoen extra op. Staatssecretaris Agnes van Ardenne van Ontwikkelingssamenwerking droeg € 5 miljoen bij aan Giro555. Uiteindelijk bracht de Giro555-actie € 12,6 miljoen op.
De hulpverlening
Met het ingezamelde geld boden de hulporganisaties voedselhulp en ondersteunden zij mensen om hun voedselvoorziening en bestaansmiddelen weer op te bouwen. Zo kregen bijvoorbeeld ondervoede kinderen en zwangere vrouwen speciale voeding. Boeren kregen onder meer zaden, landbouwgereedschap en kunstmest om de voedselproductie weer op gang te brengen. Daarnaast werd gewerkt aan schoon drinkwater en irrigatie en kregen veehouders ondersteuning om belangrijke delen van hun kuddes te behouden.

De hulp verschilde per land en gebied. Zo werd in Malawi voedsel verstrekt en werden er landbouwmaterialen uitgedeeld. In Zimbabwe kregen boerengezinnen zaaigoed, terwijl in Ethiopië voedselhulp onder meer werd gecombineerd met de aanleg van waterreservoirs.
Swaziland heet sinds 2018 officieel Eswatini. Omdat deze actie in 2002 plaatsvond, wordt op deze pagina de toenmalige naam Swaziland gebruikt.
Credits foto: UNICEF/UNI37395/Pirozzi
De samenwerkende hulporganisaties achter Giro555:
Bij uitzonderlijke rampen slaan de samenwerkende hulporganisaties de handen ineen onder de naam Giro555. Heel Nederland kan zich aansluiten om geld in te zamelen voor hulp aan slachtoffers. Samen in actie voor noodhulp. Meer informatie








